 |
Nieuws |
|
 |
|
|
|
|
| Nieuws »
TOEZICHT
|
Schade verhalen bij onvoldoende handhaving
|
|
|
Bij onvoldoende handhaving kan ontstane schade worden verhaald op de overheid. Dat maakt volgens de website Uitvoering met Ambitie de uitspraak in hoger beroep in de CMI zaak duidelijk.
CMI is een op- en overslagbedrijf voor koopmansgoederen en chemicaliën, waaronder gevaarlijke stoffen. Op 28 februari 1996 legt een grote brand het hele complex van CMI en dat van een naastgelegen bedrijf in de as. In 2004 bepaalt de Rotterdamse rechtbank al dat er sprake was van een onrechtmatige overheidsdaad jegens de eigenaren van de goederen die opgeslagen lagen in de loodsen van CMI. De gemeente heeft volgens de rechtbank niet, dan wel onvoldoende, handhavend opgetreden ten aanzien van de naleving van hinderwetvergunningsvoorwaarden door CMI. Op 22 maart 2011 bekrachtigde het Gerechtshof in Den Haag de uitspraak van de Rechtbank. De gemeente Rotterdam en DCMR Milieudienst Rijnmond worden (gedeeltelijk) aansprakelijk gesteld voor de schade die is opgetreden naar aanleiding van de brand.
Wat vooraf ging
Op 11 mei 1995 constateert een medewerker van de milieudienst dat CMI meerdere vergunningsvoorschriften overtreedt en dat de veiligheid op het spel staat. CMI krijgt een waarschuwingsbrief. Op 24 augustus volgt een tweede inspectie en opnieuw een waarschuwingsbrief. In deze brieven staat dat, bij het uitblijven van passende maatregelen, de Milieudienst aan de gemeente adviseert een last onder dwangsom op te leggen. Het bedrijf pakt niets op, en de gemeente Rotterdam legt geen dwangsom op. In december volgt overleg tussen het bedrijf en de Milieudienst. CMI blijkt nog altijd niet aan de vergunningvoorwaarden te voldoen. Het bedrijf lijkt ook niet van plan om dit op korte termijn te gaan doen. Er volgt nog een waarschuwingsbrief. Twee weken later breekt de brand uit. Er volgen strafrechtelijke en civielrechtelijke procedures, ook jegens de gemeente Rotterdam. De vraag daarbij is: kan schade worden verhaald op de overheid wanneer vaststaat dat er sprake is geweest van onvoldoende handhaving?
Kelderluik-arrest
De rechter concludeerde uiteindelijk dus dat gemeente en Milieudienst onvoldoende hadden gehandhaafd. Omdat er sprake was van een gevaarlijke situatie en het risico op het ontstaan van ernstige schade groot was, nam de rechtbank onrechtmatig handelen van de gemeente en de milieudienst aan. De rechtbank maakte een afweging op basis van de Kelderluik-criteria.
Het Kelderluik-arrest uit 1965 is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad, dat van groot belang bleek voor de juridische beoordeling van gevaarzetting in verband met onrechtmatige daad. In dit arrest geeft de Hoge Raad factoren voor de beoordeling of iemand maatregelen moet nemen om te voorkomen dat een bepaalde potentieel gevaarlijke situatie tot letsel leidt bij een ander. Het arrest ging over Sjouwerman, een medewerker van de Coca-Cola Corporation. Hij had in februari 1961 bij het leveren van frisdrank aan café De Munt in Amsterdam een kelderluik open laten staan. Mathieu Duchateau was die dag een van de klanten van het café en viel op weg naar het toilet in het kelderluik. Hij liep daarbij ernstige verwondingen op.
In eerste instantie oordeelde de rechtbank dat de schade in dit geval aan Duchateau zelf was te wijten. Hij had beter moeten opletten. Het hof en de Hoge Raad legden de aansprakelijkheid echter bij Coca-Cola. Sjouwerman had onzorgvuldig gehandeld door het kelderluik open te laten, terwijl hij ook rekening had moeten houden met niet voldoende oplettende bezoekers. Hem werd daarom een onrechtmatige gedraging verweten. Duchateau moest echter 50% van de schade zelf dragen wegens eigen schuld.
Naar de uitspraak
Meer over de Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD's)
Tip: Neem een gratis abonnement op de tweewekelijkse elektronische Nieuwsbrief
|
Reageren?
|
|