'Vroegtijdig natuuronderzoek kan ontheffingsprocedures Flora- en faunawet voorkomen'
Bij een aanvraag om omgevingsvergunning moet de initiatiefnemer aangeven of er beschermde plant- en diersoorten aanwezig zijn. Om hier antwoord op te kunnen geven is vaak een natuuronderzoek nodig. Tijd om eens te informeren bij een natuuronderzoeker pur sang, hoe dat precies werkt.
Omgevingsvergunning.nl sprak met Bob Jonge Poerink. Hij is ecologisch onderzoeker en adviseur en werkt in zijn eigen bedrijf, Jonge Poerink Milieuadvies.
Natuuronderzoek
Bob Jonge Poerink voert onderzoeken uit op het gebied van flora en fauna voor terreinbeheerders, zoals Staatsbosbeheer, maar adviseert ook in opdracht van bedrijven en particulieren voor de Flora- en faunawet. Momenteel is hij betrokken bij onderzoek naar de gevolgen voor de natuur van zandsuppletie voor de kust van Ameland.
Wat voor doel dienen je onderzoeken?
Jonge Poerink: ‘Natuuronderzoeken zijn vaak gericht op de verbetering van terreinbeheer, zodat natuurwaarden zich beter kunnen ontwikkelen. Een ander vaak voorkomend doel van natuuronderzoek is om na te gaan of beschermde plant- en diersoorten voor komen. Plant- en diersoorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet mogen namelijk niet geplukt, verstoord of beschadigd worden. De vaste voortplantings- of verblijfplaatsen van beschermde dieren zijn ook wettelijk beschermd. Bedreigde plant- en diersoorten zijn daarnaast aangewezen op de Rode Lijst van het ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV). Deze Rode Lijst soorten zijn niet zozeer goed beschermd, maar vormen een soort alarmsysteem voor de natuur. Als het slecht gaat met de Rode Lijst soorten, gaat het slecht met de natuur.’
Kun je wat meer vertellen over natuuronderzoeken voor de Flora- en faunawet?
‘Bij natuuronderzoek in het kader van de Flora- en faunawet gaat het vooral om het effect van een ruimtelijke ingreep op de natuur, zoals het dempen van een sloot, het kappen van een rij bomen of het slopen van een gebouw. Voorafgaand aan die ruimtelijke ingreep moet worden onderzocht of beschermde plant- en diersoorten aanwezig zijn. Het onderzoek bestaat uit het bestuderen van al bestaande gegevens over de natuur ter plaatse. Daarnaast wordt de situatie ter plekke onderzocht.’
Welke natuurwaarden worden vaak bedreigd bij ruimtelijke ingrepen?
Jonge Poerink: ‘Vleermuizen zijn streng beschermd en komen vaak voor in boomholtes, op zolders en onder dakpannen van historische gebouwen. Die diergroep wordt daardoor vaak bedreigd door kap- en sloopwerkzaamheden. Op zolders leven soms ook marters die beschermd zijn. Vogels worden bedreigd door werkzaamheden tijdens het broedseizoen. Vissen en amfibieën ondervinden vooral nadeel van baggerwerkzaamheden en het dempen van oppervlaktewater.‘
Bechsteins vleermuis (langoorvleermuis), Foto: Bob Jonge Poerink
Waaruit bestaat je eindproduct?
‘Mijn eindproduct is een rapport waarin staat welke soorten aanwezig zijn en of hier beschermde soorten bij zijn. Daarnaast geef ik aan of de ruimtelijke ingreep van invloed is op de natuur. Wanneer dit het geval is worden mogelijke alternatieven gegeven om de nadelige effecten voor de natuur te voorkomen of te minimaliseren, dan wel te compenseren. Vervolgens wordt dan een verzoek gedaan om ontheffing van de Flora- en faunawet waarbij de mogelijke compenserende maatregelen worden genoemd. Het natuuronderzoeksrapport wordt bij dit ontheffingsverzoek gevoegd. Voor het verkrijgen van een ontheffing is het van belang dat de mitigerende (‘verzachtende’) en compenserende maatregelen in een rapport goed worden uitgewerkt.’
Seizoensgebonden
Jonge Poerink: ‘De natuur is seizoensgebonden. Dat maakt natuuronderzoek best complex. Een vleermuis kan een schuur bijvoorbeeld gebruiken als overwinteringsplaats, óf als plaats voor zijn kraamkolonie. Dit wordt in een natuuronderzoek bekeken. Hiervoor zijn dus gedurende meerdere momenten in het jaar waarnemingen nodig. Als een initiatiefnemer een projectplan indient en hij hierbij rekening wilt houden met de Flora- en faunawet, dan moet zo vroeg mogelijk worden begonnen met natuuronderzoek. Hier is toch vaak meer dan een half jaar voor nodig. Het kan niet genoeg worden benadrukt om zo vroeg mogelijk in de planvorming met het natuuronderzoek te beginnen. In een vroeg stadium van planvorming is het vaak nog mogelijk om rekening te houden met de aanwezige flora en fauna. Daarmee kan een ontheffingsprocedure worden voorkomen. ’
Hoor je nog later wat over je advies terug?
‘Ja, ik help de opdrachtgever met de ontheffingsaanvraag. Regelmatig moeten compenserende natuurmaatregelen worden genomen, zoals het ophangen van vleermuiskasten. Eventueel verzorg ik de ecologische begeleiding tijdens de uitvoering van een project. Maar soms gaat de initiatiefnemer harder. Het komt wel voor dat een sloot al gedempt is voordat de vissen eruit zijn gehaald. ‘
En dan?
'Een initiatiefnemers die tijdens de uitvoer onvoldoende rekening houdt met de aanwezige flora en fauna of die zelfs geen natuuronderzoek heeft laten doen, loopt het risico dat de AID het project stillegt. Hier zijn talrijke voorbeelden van. Een dergelijke situatie kan aanzienlijke financiële consequenties hebben’.
Wat is er na een project nog van de natuurwaarden over?
‘Compenserende maatregelen zoals het ophangen van vleermuiskasten hebben niet altijd effect. Vleermuizen kiezen zelf hun verblijfplaats uit. Waarom ze persé op die zelfgekozen plaats willen wonen, weten we niet altijd precies. Niet alle verjaagde vleermuizen gaan dus in speciaal opgehangen vleermuiskasten wonen.’
Taak gemeenten
Jonge Poerink vindt dat er onder de Wabo wel erg veel verantwoordelijkheid wordt neergelegd bij de aanvrager, als het gaat om de opgave in het aanvraagformulier of er beschermde plant- en diersoorten voor komen: 'Een aanvrager kan normaal gesproken zelf niet goed inschatten of ergens beschermde plant- en diersoorten voorkomen. De gemeente heeft hierbij een coördinerende rol en heeft de inhoudelijke deskundigheid meestal niet.' Bob adviseert de gemeenten om zich op dit vakgebied goed te laten opleiden en bij vermoeden van de aanwezigheid of verstoring van beschermde plant- of diersoorten, te bellen met het ministerie van LNV of met de AID.
Het lom heeft natuur als landelijke prioriteit benoemd. Naar aanleiding van deze prioritering heeft het Lom een boekwerkje uitgegeven genaam lp natuur. Dit boekje geeft voorbeelden tips en aan de voorkant van het proces. Zo kan worden voorkomen dat bouwwerken, infrastructurele werken worden stilgelegd omdat niet voldaan is aan de procedure. Dit boekwerkje is gratis te verkrijgen bij het LOM en te bestellen via bkaspers@lom.nl