Home
Wabo Water Gebruiksbesluit Activiteitenbesluit
 
Omgevingsrecht »  Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO) » Hoofdstuk 2. DE OMGEVINGSVERGUNNING » § 2.6. Wijziging en intrekking van de omgevingsvergunning
 
Artikel 2.29  
1. De inspecteur en een bestuursorgaan dat bij de totstandkoming van
de omgevingsvergunning bevoegd was een verklaring als bedoeld in
artikel 2.27, eerste lid, te geven of advies uit te brengen kunnen het
bevoegd gezag verzoeken voorschriften van de omgevingsvergunning te
wijzigen of de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken.
Een verzoek kan slechts worden gedaan door:
a. het bestuursorgaan dat bevoegd was een verklaring te geven: in
categorieėn gevallen die in een wet of algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, zijn aangewezen;
b. een adviseur: voor zover het betreft de aspecten waarover hij bij de
totstandkoming van de omgevingsvergunning advies kan uitbrengen.
2. Voor zover een omgevingsvergunning betrekking heeft op een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b of g, kunnen
gedeputeerde staten, indien provinciale belangen dat met het oog op een
goede ruimtelijke ordening nodig maken, het bevoegd gezag verzoeken
voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen of de omgevingsvergunning
geheel of gedeeltelijk in te trekken.
3. Voor zover een omgevingsvergunning betrekking heeft op een
activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, kan Onze Minister het bevoegd gezag verzoeken binnen een
daarbij aangegeven termijn de omgevingsvergunning of voorschriften
van de omgevingsvergunning te wijzigen, indien zich in de betrokken
inrichting een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer
voordoet of heeft voorgedaan.
4. Indien het bevoegd gezag gevolg geeft aan een verzoek als bedoeld
in het eerste, tweede of derde lid, zendt het een exemplaar van de
beschikking tot wijziging van voorschriften van de omgevingsvergunning
of wijziging of gehele of gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning
aan het betrokken bestuursorgaan.

Plaats uw vraag / opmerking bij dit artikel

Artikel 2.30  
1. Voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een
activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, beziet het bevoegd gezag regelmatig of de voorschriften die
aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien
de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot
bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de
kwaliteit van het milieu.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de
bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot de
wijze waarop het eerste lid wordt toegepast met betrekking tot daarbij
aangewezen categorieėn inrichtingen. Bij de maatregel kan worden
bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangewezen
categorieėn gevallen.

Plaats uw vraag / opmerking bij dit artikel

Artikel 2.31  
1. Het bevoegd gezag wijzigt voorschriften van de omgevingsvergunning:
a. ter uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 2.29, eerste lid,
tweede volzin, onder a, of een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.34,
eerste lid;
b. indien door toepassing van artikel 2.30, eerste lid, blijkt dat de
nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de
ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het
milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het
milieu, verder moeten worden beperkt;
c. in gevallen waarin de omgevingsvergunning van rechtswege is
verleend, voor zover dit nodig is om ernstige nadelige gevolgen voor de
fysieke leefomgeving te voorkomen, of, voor zover zodanige gevolgen
niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken;
d. voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder i, voor zover dat bij de betrokken algemene
maatregel van bestuur is bepaald;
e. voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.2, voor zover dat bij de betrokken verordening is bepaald;
f. voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel
2.19, voor zover dat bij het betrokken wettelijk voorschrift is bepaald.
2. Het bevoegd gezag kan voorschriften van een omgevingsvergunning
wijzigen voor zover deze betrekking hebben op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, voor zover
dit in het belang van de brandveiligheid is met het oog op het voorziene
gebruik van het bouwwerk;
b. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, voor zover
dit in het belang van de bescherming van het milieu is;
c. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, op de
gronden die zijn aangegeven in de betrokken algemene maatregel van
bestuur;
d. een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, op de gronden die zijn
aangegeven in de betrokken verordening;
e. een activiteit als bedoeld in artikel 2.19, op de gronden die zijn
aangegeven in het betrokken wettelijk voorschrift.

Plaats uw vraag / opmerking bij dit artikel

Artikel 2.32  
Onze Minister wijzigt de omgevingsvergunning of voorschriften van de
omgevingsvergunning voor zover deze betrekking hebben op een
activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, indien zich in de betrokken inrichting een voorval als bedoeld
in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer voordoet of heeft voorgedaan en
de geboden spoed een verzoek als bedoeld in artikel 2.29, derde lid, niet
toelaat of het bevoegd gezag niet aan het krachtens dat lid gedane
verzoek binnen de daarbij aangegeven termijn gevolg heeft gegeven.

Plaats uw vraag / opmerking bij dit artikel

Artikel 2.33  
1. Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in, voor zover:
a. de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een
voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie
dat vereist;
b. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, indien door toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en
onder b, redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat in de inrichting of het
mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in
aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast;
c. dat nodig is ter uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 2.29,
eerste lid, tweede volzin, onder a, of een aanwijzing als bedoeld in artikel
2.34, eerste lid;
d. de inrichting of het mijnbouwwerk ontoelaatbaar nadelige gevolgen
voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 2.31 daarvoor
redelijkerwijs geen oplossing biedt;
e. deze van rechtswege is verleend, indien deze betrekking heeft op een
activiteit die ontoelaatbaar ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke
leefomgeving heeft of dreigt te hebben en toepassing van artikel 2.31,
eerste lid, aanhef en onder c, daarvoor redelijkerwijs geen oplossing
biedt;
f. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.19, in
gevallen die in het betrokken wettelijk voorschrift zijn aangegeven.
2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk
intrekken, voor zover:
a. gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking
van de vergunning;
b. de vergunninghouder daarom heeft verzocht;
c. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder a, b of g, indien de activiteit langer dan de in de bouwverordening,
onderscheidenlijk de omgevingsvergunning, bepaalde termijn
heeft stilgelegen;
d. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, indien:
1°. dit in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen nodig is;
2°. de inrichting of het mijnbouwwerk geheel of gedeeltelijk is verwoest;
e. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder f, indien de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder
zodanig zijn gewijzigd dat het belang van de monumentenzorg
zwaarder moet wegen;
f. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder i, op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken algemene
maatregel van bestuur;
g. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, op de
gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening;
h. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.19, op
de gronden die zijn aangegeven in het betrokken wettelijk voorschrift.
3. Voor zover een verzoek van een vergunninghouder tot gehele of
gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning betrekking heeft
op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, trekt het
bevoegd gezag de omgevingsvergunning slechts geheel of gedeeltelijk in,
indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet
verzet.

Plaats uw vraag / opmerking bij dit artikel

Door: Lilian Bock
Functie: Adviseur juridische zaken
Organisatie: gemeente Zoetermeer
Geplaatst: 06-07-10 14:41
Voor zover nog van toepassing. Zie artikel 5.19, vierde lid onder b van de Wabo.


Door: De Wever
Functie: beleidsmedewerker
Organisatie: riec
Geplaatst: 27-11-09 16:44
waar staan de mogelijkheden tot intrekken op basis van artikel 3 van de wet bibob, in 2.20 wordt alleen naar de wet bibob verwezen voor wat betreft het weigeren


 
Advertenties












 


copyright 2008 Forta milieu & multimedia, alle rechten voorbehouden - | disclaimer